Klinisch Dossier | Nij Smellinghe, Drachten | BMA Nieuwsbrief januari 2010
Klinisch Dossier | Nij Smellinghe, Drachten | BMA Nieuwsbrief januari 2010
Drachten kiest voor Klinisch Dossier
Nij Smellinghe in Drachten is een perifeer ziekenhuis met 339 bedden en uitgebreide poliklinische voorzieningen. Alle specialismen zijn vertegenwoordigd. De zes gynaecologen werken al sinds jaar en dag met alle modules van Mosos om de circa 900 bevallingen per jaar in goede banen te leiden. Binnenkort komt daar ook het Klinisch Dossier bij - het ziekenhuis beproeft op dit moment de testomgeving - en wordt gekeken naar verschillende koppelingen tussen Mosos en het algemene EPD van het ziekenhuis.

In 2004 kwam het roer van BMA in handen van Oscar Appeldoorn en Alex Holsbergen. Harold Mous was destijds de eerste gynaecoloog die zich in de BMA Nieuwsbrief over zijn verwachtingen van het nieuwe BMA uitliet. Harold Mous: “Wij hadden in 2004 onze twijfels over het BMA tot dan toe, maar we waren ook bereid met spanning en plezier af te wachten hoe het nieuwe BMA het zou gaan doen. We zijn de afgelopen jaren niet teleurgesteld.” Dat blijkt, want er zijn de afgelopen maanden verschillende gesprekken met elkaar gevoerd over de toekomst. Mous: “We zijn op zoek gegaan naar waar we elkaar kunnen vinden. Ik wil BMA best voorzien van de noodzakelijke informatie vanaf de werkvloer en Mosos demonstreren aan anderen. Maar we zijn ons er wel van bewust dat ICT vergankelijk is, ook in de tijd. Het is voor ons als ziekenhuis dus weer van belang te weten welke kant een firma op wil gaan. Ook zijn we kritisch in die zin dat wij vinden dat BMA moet zorgen dat Mosos blijft passen in ons algemene EPD. Ik ben iemand van de simpele oplossingen. Ik kijk hoe het werkt en hoe het past in het gehele systeem.” Tot nu toe blijkbaar goed, want onlangs is een sitelicentie voor Mosos aangeschaft. Het ziekenhuis beproeft nu de testomgeving van het Klinisch Dossier en verwacht dit voorjaar live te gaan.

Nog dit voorjaar live!
Harold Mous liep als gevolg van de voorgenomen implementatie van het Klinisch Dossier tegen een groot aantal vragen op, ook van anderen: “De kinderarts wil natuurlijk dat de data uit het Klinisch Dossier direct naar hem kunnen worden doorgestuurd. Dat is wel een vraag voor de toekomst. Ook bestaat bij ons de intentie om enkele koppelingen te realiseren. Er komt in elk geval een labkoppeling, en we willen onderzoeken of een medicatiekoppeling en een van de noodzakelijke informatie vanaf de werkvloer en Mosos demonstreren aan anderen. Maar we zijn ons er wel van bewust dat ICT vergankelijk is, ook in de tijd. Het is voor ons als ziekenhuis dus weer van belang te weten welke kant een firma op wil gaan. Ook zijn we kritisch in die zin dat wij vinden dat BMA moet zorgen dat Mosos blijft passen in ons allergiekoppeling mogelijk zijn, zodat de gegevens uit het algemene systeem ook worden doorgeschoten naar Mosos. Ik wil dat koppelen om te voorkomen dat door extra invoeren van gegevens fouten worden gemaakt.” Inmiddels werkt Nij Smellinghe aan de sprong vanuit de testomgeving van het Klinisch Dossier naar het operationele systeem. Dat moet dit voorjaar zijn beslag krijgen. Groot voordeel is volgens Harold Mous dat Mosos natuurlijk bij iedereen bekend is: “We houden rekening met een implementatietijd van drie maanden, en verpleegkundigen, verloskundigen en artsen zullen samen moeten kijken wat het Klinisch Dossier allemaal kan. Alarmeert het de gebruiker bijvoorbeeld? Samen met een werkgroep van alle betrokkenen kunnen we dan in een testversie een aantal scenario’s doorlopen. Ook verzorgt BMA een bij- en nascholingstraject. Ik heb er alle vertrouwen in.”


Harold Mous

Voorschot op de toekomst
Harold Mous blijft nadenken over verbeteringen in de informatievoorziening binnen de verloskunde. Hij mist de uniformiteit van een systeem dat toegankelijk is voor iedere zorgverlener, waarbinnen gegevens ook echt kunnen worden uitgewisseld. Mous: “Jaren geleden zijn we bezig geweest met een koppeling tussen de eerste en tweede lijn. Dat is buiten de schuld van BMA uiteindelijk niet doorgegaan, maar er is de laatste jaren veel veranderd in de verhouding tussen de eerste en tweede lijn. De tijd heeft ons geleerd dat we veel meer moeten samenwerken en alle gegevens binnen de keten beschikbaar moeten stellen zodra daar behoefte aan is. Het is de patiënt die centraal staat.” Dat is dus een concrete wens. Harold Mous heeft er trouwens nóg een: “We zitten nu met een muis en een toetsenbord te werken, maar op termijn wil ik toe naar een intuïtiever systeem met spraakherkenning als dat kan en touchscreens. Een systeem dat met me meedenkt, zo van: als jij hier in het proces bent, dan wil je vast daarnaartoe.”